Top 3
  1. Wilckens (EKK) / Wolter (EKK) / Lohse (KEK)
  2. Longenecker (NIGTC) / Jewett (Herm.)
  3. Stuhlmacher (NTD) / Achtemeier (Int.)
Toelichting

Vanuit de Lutherse traditie is te begrijpen dat er onder Duitse theologen veel aandacht is voor Paulus en in het bijzonder Romeinen. Vanuit historisch-kritische hoek zijn dan ook meerdere, aardig vergelijkbare commentaren verschenen van ‘grote namen’ onder de Duitse nieuwtestamentici. De beste werken zijn: Wilckens (EKK, 1978/80/82), Lohse (KEK, 2003) en recent Wolter (EKK, 2014/18). Een duidelijke meerwaarde bij Wilckens zijn de kerkhistorische en dogmatische lijnen onder het gedeelte ‘Zusammenfassung’ na elke besproken perikoop. De serie EKK geeft daar de ruimte voor; Lohse is naar opzet van de serie KEK bondiger. Nadeel bij Wilckens is de korte en ook gedateerde inleiding (wel een literatuur-update in derde druk deel 3, 2003). Lohse is helder, toegankelijk geschreven, en een gerijpt werk aan het einde van zijn carrière (hij was 79 jaar bij de uitgave in 2003). Wolter is erg goed, ook qua inleiding.

In ongeveer dezelfde tijd als Wilckens (en dus eveneens gedateerd) verschenen Schlier (Herder 1977) en Cranfield (ICC, 1979/80). Ook beiden historisch-kritische insteek, en van net iets mindere kwaliteit dan Wilckens. Cranfield heeft in 1985 zijn werk samengevat in het toegankelijke Romans: A Shorter Commentary. Inmiddels ook ‘oud’ is Michel (KEK, 197814), maar zeker een klassieker. Met het kleine werkje van Stuhlmacher (NTD, 1989) is het wel meer van hetzelfde, maar als voordeel dat het in het Engels is vertaald. Wie moeite heeft met Duits moet zeker deze vertaling aanschaffen om zo toch inzicht te krijgen in de Duitse exegese die op sommige punten meer diepgang kent dan de Engelstalige literatuur. De ‘grote naam’ Käsemann is dan ook een mogelijkheid: Zijn invloedrijke werk uit 1974 (HNT; 19804) is eveneens in het Engels vertaald (mono 1980). Een wat kleiner en recent werk: Haacker (ThHNT, 2006).

Op Engels taalgebied is de aandacht voor Romeinen minder groot. Als eerste moet toch het grote werk van Jewett (Herm., 2007) genoemd worden, dat een mijlpaal in het Romeinenonderzoek heeft geslagen. Dit betreft in het bijzonder zijn zelfstandige inzichten vanuit sociologisch-historisch en retorisch oogpunt. Theologisch is het echter wat mager en niet altijd overtuigend. Vervolgens het werk van Longenecker (NIGTC, 2016). Het meest grondige en evenwichtige werk op Romeinen op Engels taalgebied. Vooral theologisch sterk; minder goed in de vers-voor-vers-exegese. Schrijft zelfstandig en daagt je als lezer daardoor uit. Vrij korte, maar ter zake inleiding (voor verdere onderbouwing van zijn standpunten op inleidingsvragen verwijst hij naar zijn boek Introducing Romans: Critical Issues in Paul’s Most Famous Letter, 2011). Laat veel stemmen uit de kerkgeschiedenis aan het woord. Opvallend dat hij niet in gesprek gaat met N.T. Wright. Elke beëxegetiseerde pericoop wordt afgesloten met een gedeelte ‘Biblical Theology’ en ‘Contextualisation for Today’.

Twee redelijk goede commentaren vanuit evangelicaal perspectief zijn Schreiner (BECNT 1998) en Moo (NICNT 1996). Beide zijn goed toegankelijk. Schreiner is goed in gesprek met andere auteurs van commentaren en monografieën (ook Duitse) en schrijft helder en toegankelijk. Moo is zelfstandiger, en op onderdelen sterker. (NB: Moo heeft ook het Romeinendeel geschreven in de NIVAC-serie [2000], gericht op de prediking). Qua toegankelijkheid een vergelijkend commentaar is dat van de Rooms-Katholieke exegeet Fitzmyer (AB, 1993). Een goed, betrouwbaar commentaar. Theologisch sterker dan Moo en Schreiner. Op evangelical-gebied is er verder het werk van Peterson (BTCP).

Verder kent de Engelstalige markt vooral nog enkele sterke kleine deeltjes in onbekende series: Keck (ANTC, 2005), Matera (PCNT, 2010) en Achtemeier (Int., 1985). Bij deze werken is geen kennis van het Grieks noodzakelijk en wordt Romeinen vooral op hoofdlijn gevolgd, met lijnen richting de praktijk. Ze zijn alle drie erg goed, zowel theologisch als in het zetten van de stap naar vandaag. Keck schrijft scherp en uitdagend, en is misschien nog wel de beste van de drie.

Vanuit de New Perspective is zeer zeker N.T. Wright (NIB deel 10, 2002) te noemen – deze is genuanceerder op dit punt dan Dunn (WBC, 1988/88). Dunn is een gerenomeerde exegeet, maar zijn commentaar op Romeinen is niet heel sterk (wat snel geschreven; weinig interactie met secundaire literatuur). Het voordeel van Wright is dat je met zijn aantrekkelijk schrijven vaak al dicht bij lijnen voor de prediking bent en de opzet van de New Interpreters Bible stimuleert dat alleen nog maar.

Het oudere werk van Ridderbos (CNT2, 1959) is nog steeds een aanrader: goed theologisch, en hoger te waarderen dan zijn opvolger in de serie, Van Bruggen (CNT3, 2007).

Voor een becommentariëring van Hand met oog voor Joodse midrash-tradities: zie Hilary Le Cornu en Joseph Shulam, A Commentary on the Jewish Roots of Romans (1997).

Tot slot: de tweede editie van Karl Barths theologisch rijke werk ‘der Römerbrief’ uit 1922, is in 2008 in Nederlandse vertaling verschenen bij uitgeverij Boom, inclusief een inleiding.