Top 3
  1. Boring (NTL) / Marcus (AB)
  2. Stein (BECNT) / Edwards (Pillar) / Lane (NICNT) / Straus (ZECNT)
  3. Culpepper (SHBC) / Eckey (mono) / Gnilka (EKK)
Toelichting

Waar er bij Mattheüs en Lukas met overtuiging één of twee commentaren op de eerste plaats staan, ontbreekt dit bij Markus. Er zijn heel wat commentaren geschreven, maar geen van allen van een alles overtreffende kwaliteit.

Vanuit evangelicaal perspectief zijn een vijftal goede werken te noemen: Lane (NICNT, 1974), Edwards (Pillar, 2002), Stein (BECNT, 2008), Strauss (ZECNT, 2014) en Bock (NCBC, 2015). Lane zet een toegankelijke, overtuigende exegese neer. Edwards is soortgelijk (je proeft zijn vele jaren ervaring met dit evangelie), maar met het voordeel dat hij ook recentere inzichten en methodes goed verdisconteert. Dit laatste geldt ook voor Stein. Hij is bovendien goed in gesprek met andere (ook Duitse) meningen; dat kan van evangelicals niet altijd gezegd worden. Hij heeft ook oog voor de prediking. Aan het einde van elke becommentarieerde perikoop geeft hij onder het kopje ‘summary’ kort weer wat Markus in deze perikoop wilde benadrukken, in het bijzonder aangaande zijn portret van Jezus. Strauss is soortgelijk als de andere evangelicale werken. Hij is vooral geschikt richting de prediking, omdat elke perikoop, naar opzet van de serie, afgesloten wordt met praktische toepassingen en homiletische lijnen (‘Theology in Application’). Bock benadrukt vooral de historische betrouwbaarheid van Marcus en doet weinig of niets met vorm- en redactiekritiek (een conservatieve evangelical).

In 2002 kwam het zeer zelfstandig geschreven werk van France (NIGTC) uit. Hij is echter wel erg weinig in gesprek met het verdere wetenschappelijke veld, en onderwaardeert waardevolle inzichten op het gebied van historische achtergrond en literaire afhankelijkheid.

Marcus (AB, 2000/09) heeft twee grondige delen geschreven. Hij werkt zijn commentaar uit aan de hand van een tamelijk speculatieve hypothese rond ontstaan en lezers van het evangelie. Vervolgens is er in de vers-voor-vers-exegese soms het gevaar van te veel willen zien (‘over-interpretation’). Maar toch is het een knap, zelfstandig werk dat zeer zeker de moeite waard is en een terechte vervanging van het magere werk van Mann (1986) uit deze serie.

Voor de serie WBC is Guelich (1989) aan een bijdrage begonnen, maar is vroegtijdig overleden. Zodoende is alleen het eerste van de twee delen van zijn hand. Het tweede deel is geschreven door Evans (2001), hoewel op basis van eerste opmerkingen van Guelich. Het werk van Guelich (historisch-kritisch) schijnt goed te zijn, en van Evans iets minder (Evans is grondiger dan Guelch).

In 2007 verscheen in de Hermeneia-serie het historisch-kritische werk van A.Y. Collins. Zij is zeer goed thuis in contemporaine Joodse en Hellenistische bronnen en zoekt steeds vergelijkingen. Zo wil Collins Markus’ boodschap vanuit die omliggende religies / religieuze stromingen begrijpen (‘comparative history-of-religions approach’).

Hooker (BNTC, 1991) is, naar de opzet van de serie, compact en prettig leesbaar. Dat ze 20 jaar bezig is geweest met haar commentaar is merkbaar in de rijpe inzichten en ruime kennis die ze ten toon stelt. Ze werkt vanuit de literaire kritiek en is van daaruit gericht op de theologie / boodschap van het Bijbelboek. Ook Donahue & Harrington (SP, 2002) hebben een commentaar geschreven primair vanuit een literaire lezing van Marcus (dus niet de nadruk op redactie- en bronnenkritiek), waarin zij in het bijzonder oog hebben voor de intra- en intertekstualiteit van Marcus. Al met al een integer en toegankelijk werk van deze katholieke exegeten.

In de serie NTL heeft Boring een zelfstandig, overtuigend deel geschreven, dat goed gebruik maakt van de verschillende aspecten van de historisch-kritische methode (2006). Een helder geschreven commentaar, vanuit de overtuiging dat voor Marcus niet de historische betrouwbaarheid van wat hij schreef belangrijk was, maar het modelleren van Jezus’ levensverhaal naar de noden en behoeften van de eerste lezers. Een grote afstand dus tussen de historische Jezus en de Jezus van het geloof. Wat hierin ook je eigen standpunt is, dit werk is van goede kwaliteit!

Culpepper (SHBC, 2007): een evenwichtig werk, toegankelijk en aantrekkelijk geschreven, met aandacht voor de receptiegeschiedenis door de eeuwen heen, en lijnen naar de praktijk. Een vrij onbekende auteur en serie, maar het ziet er goed uit.

De Duitsers geven in hun commentaren uit de jaren ’70 veel ruimte aan redactiekritiek. In het bijzonder bijvoorbeeld Pesch (Herder, 1976/77); hij ontwikkelt gedetailleerde hypothesen. Het is zodoende een technisch commentaar, al loopt zijn detailexegese wel altijd uit op een goede theologische waardering van de perikoop. Het vraagt een behoorlijke inspanning en een kritische houding om dit commentaar goed en geheel te benutten, maar dan levert het wel bruikbaar materiaal op, meer dan je uit een eenvoudiger commentaar kunt halen. Het commentaar van Schmithals (ÖTK, 1979) is qua opzet en omvang gelijk aan dat van Pesch. Ook hier een tot in detail uitgewerkte redactiekritiek en goede theologische lijnen van een kritische, soms wat speculatieve exegeet. Gnilka (EKK, 1978/79) bespreekt ook wel redactiekritische aspecten, maar is voorzichtiger in zijn hypotheses dan Pesch, en geeft meer ruimte aan de theologische aspecten. Dat maakt dit commentaar toegankelijker. Dit geldt ook van het werk van Eckey (mono, 2008). Ook dit is een goed, toegankelijk commentaar; historisch-kritisch, maar toch uitgelegd richting de praktijk / prediking van Markus. Het korte werkje van Schweizer in NTD (19836) is de moeite waard.

Van Bruggen (CNT3, 1988) heeft een eenvoudig, toegankelijk commentaar geschreven. Zijn exegetische keuzes zijn echter lang niet altijd overtuigend. Makkelijk 2e-hands op de kop te tikken is het praktische commentaar van Berkelbach van der Sprenkel (Het evangelie van Markus, 1948); biedt waardevolle inzichten.  Zie verder het meditatieve werk van Van Ruler (dichter bij Marcus, Marcus 14 en Marcus 14verv.,15,16).

Het vermelden waard: het social-rhetorical-commentaar van Witherington (mono, 2001). Geeft veel interessante data, al overtuigt zijn exegese vervolgens niet altijd.