Top 3
  1. Moo (Pillar) / O’Brien (WBC)
  2. Dunn (NIGTC)
  3. Schweizer (EKK) / Sumney (NTL)
Toelichting

Op deze ‘gevangenisbrief’ heeft O’Brien (WBC, 1982) een goed commentaar geschreven. Wel is de literatuur en de discussie soms wat verouderd (bijvoorbeeld rond identificatie tegenstanders). Mede daarom verdient het gelijksoortige evangelical werk van Moo (Pillar, 2008) net een hogere waardering. Evenals O’Brien gaat Moo uit van Paulus als auteur van de brief. Moo toont zich een uitstekende exegeet, met oog voor theologische lijnen en prediking. Het is een eenvoudig opgezet commentaar (zoals alle Pillar-delen; o.a. alleen in de voetnoten Griekse tekst), beter leesbaar dan O’Brien.

James Dunn (NIGTC) heeft in 1996 een goed werk geschreven. Wat auteurschap betreft bewandelt hij een middenweg (Paulus en Timoteüs), wat voor een goede interactie met de onomstreden Paulusbrieven zorgt. Dunn geeft de meningen in discussies evenwichtig weer en geeft vervolgens overtuigend zijn eigen visie. Een eveneens knap geschreven werk is dat van Sumney (NTL, 2008). Het leest zeer prettig: goede, bondige schrijfstijl, zonder veel discussie in de hoofdtekst (terwijl hij de meest recente inzichten toch goed verwerkt). Een korte, overtuigd geschreven inleiding (o.a. verdediging deuteropaulinisch auteurschap). In 2016 schreef Foster (BNTC) een goed werk. Forse, goede inleiding, met o.a. betekenis van archeologische vondsten verdisconteerd. In het commentaar neemt hij geregeld zelfstandige standpunten in, die goed gesprek opleveren met bestaande, vaak overeenkomende visies in eerdere Kolossenzen-commentaren.

Ook het werk van Wilson (ICC, 2005) is goed en typisch ICC, namelijk: grondige, zelfstandige inleiding en technische exegese. Theologisch echter minder goed dan bijvoorbeeld Dunn, Moo of Sumney. Hoe dan ook, met de recente werken van Dunn, Wilson, Moo, en Sumney is Kolossenzen een aantal zeer goede werken rijker. In Sacra Pagina heeft MacDonald (2000) Efeze en Kolossenzen becommentarieerd. Ze heeft weinig oog voor theologische vragen, en richt zich primair op een meer antropologisch-sociologische benadering.

Van de kleinere commentarenseries verdienen Wright (TNTC, 1999) en Thompson (THNTC, 2005) aanbeveling; de laaste i.v.m. het onderdeel ‘theologie’ in het boek. Garland heeft een redelijk goed deel geschreven in de NIVAC-serie.

Op Duits taalgebied verdient Schweizer (EKK, 1976) waardering: toegankelijk, theologisch en oog voor de prediking. Zodoende iets hoger te waarderen dan Gnilka (Herder, 1980). In 1993 heeft Wolter (ÖTB 1993) een compact maar grondig deel geschreven, goed op zowel grammaticaal, literair als theologisch niveau. Wolter ziet Kolossenzen als een pseudepigrafie. In de serie KEK heeft Lohse een bondig en goed deeltje geschreven, dat later ook vertaald in Hermeneia terecht is gekomen. Een bondig werkje van de goede exegeet Luz: NTD, 1998. Voor de meest recente verwerking van historisch kritisch onderzoek in een Duits commentaar: Bormann (HNT 2012). Ook op Duits taalgebied beschikbaar: White (HTA, 2018).

Op Nederlands taalgebied blijft het werk van Ridderbos (CNT2) waardevol. In de serie CNT3 is Kolossenzen/Filemon door Van Eck (2007) verschenen. Van Eck weet zijn kennis als classicus te gebruiken om deze brieven goed in hun historische en literaire context te plaatsen. Goede inleidingen en verder redelijk goede exegese.

Men zie voor een ‘social-rhetorical’-benadering Witherington (mono, 2007).