Top 3
  1. O’Brien (NIGTC) / Fee (NICNT)
  2. Reumann (AB)
  3. Eckey (mono) / Bockmuehl (BNTC)
Toelichting

Het beste vakmanschap op Filippenzen vind je toch wel bij Reumann (AB, 2008). Op hoge leeftijd schrijft hij de bevindingen op van meer dan dertig jaar werken met deze brief. De breedte van de historisch-kritische deel-disciplines prachtig vruchtbaar gemaakt, zoals literaire kritiek (rethorica etc.) en sociologische achtergronden. Er zijn echter twee nadelen: Reumann heeft van de uitgever zijn aangeleverde tekst moeten halveren (en toch nog steeds 800 pag.), en dat is slecht gelukt. Het is nu geen vloeiend geschreven werk, maar soms meer een soort naslagwerk met losse opmerkingen. En ten tweede: de inleiding is teleurstellend kort (18 pag., waarvan ook nog eens een aantal pagina’s literatuurlijst). Zeer goed vakmanschap dus, maar niet al te toegankelijk.

Het 600 pagina’s tellende commentaar van O’Brien (NIGTC, 1991) is werkelijk uitstekend. Grondige, doortastende exegese, goede theologische en pastorale lijnen. Echter in 2016 in opspraak gekomen in verband met plagiaat. Het werk van Fee (NICNT, 1999) is van het zelfde snit: hij is eveneens een uitstekende evangelical exgeet met een goed leesbaar werk. Dit commentaar is over de hele linie gezien echter van iets mindere kwaliteit dan dat van O’Brien en minder grondig. Beide zijn goede commentaren voor het maken van een preek. Recenter is het werk van Hansen (Pillar, 2009) uitgekomen, dat geheel in toon en lijn van O’Brien en Fee schrijft. Een goede exegeet met oog voor de praktijk. Twee kleinere commentaren uit evangelicale hoek zijn eveneens goed: Silva (BECNT, 20052; 250 pag.) en Bockmuehl (BNTC, 1997; 350 pag). Beiden goed toegankelijk en goede exegese; Bockmuehl net iets beter / grondiger. Het NIVAC-deel van Thielman (1995) is redelijk.

Eveneens een klein commentaar: Fowl (THNTC, 2005). Naar opzet van de serie nadruk op de uitleggeschiedenis en de theologische boodschap van de brief. Een goede aanvulling om te gebruiken naast een vers-voor-vers-commentaar (hij bespreekt per perikoop), van een goede exegeet (zie Efeziërs). Cousar (NTL, 2009) is een gemiddeld deel uit de serie; wel erg kort (130 pag., incl. Filemon).

Een werk dat nadrukkelijker historisch-kritisch is, is Martin & Hawthorne (WBC, 2004). Oorspronkelijk door Hawthorne geschreven en in 1983 uitgebracht, is het werk geupdated door Martin en van 232 pagina’s naar 384 uitgegroeid. Een werk van gemiddelde kwaliteit.

Duitse exegeten knippen de brief in stukken, wat natuurlijk ook zijn invloed heeft tot in de vers-voor-vers-exegese. Bij Gnilka (Herder, 1968) levert dat bovendien een tamelijk taaie inleiding op (hoofdzakelijk redactiekritiek) en blijft de exegese soms in een technische discussie steken. Ondanks dat bevat dit commentaar goede, compacte exegese. Eckey (mono, 2006) is een meer up-to-date, minder technisch en daardoor toegankelijker commentaar. Hij brengt de stof van Filippenzen goed in gesprek met het Corpus Paulinum. Walter heeft goed werk geleverd in NTD 8/2, 199818.

Floor (CNT3, 1998) heeft een wat mager, zeer eenvoudig commentaar geschreven; een universitair geschoolde theoloog zal zeker naar grondiger werk grijpen.