Top 3
  1. Achtemeier (Herm.) / Elliot (AB)
  2. Goppelt (KEK) / Brox (EKK) / Michaels (WBC)
  3. Green (THNTC)
Toelichting

De twee ‘grote namen’ op 1 Petrus zijn Achtemeier (Hermeneia, 1996) en Elliott (AB, 2000). Op een doortastende, evenwichtige manier weet Achtemeier de brief in zijn eerste-eeuwse setting te plaatsen. Vervolgens in de exegese helder en bondig, zelfstandig en goed theologisch. Een genot om te gebruiken. Elliott lijkt met zijn bijna duizend pagina’s minder toegankelijk. Toch valt dit in de praktijk mee; hij schrijft toegankelijk. Hij toont grote kennis van de culturele aspecten van de Grieks-Romeinse wereld waarin hij deze brief plaatst. Zelfstandig geschreven; echter in bijvoorbeeld de inleidingsvragen wat speculatiever / minder overtuigend / hypothetischer dan Achtemeier.

Vanuit evangelicale hoek zijn twee redelijke werken te noemen: Schreiner (NAC, 2003) en Jobes (BECNT, 2005). Jobes schrijft helder. Ze is goed in het weergeven van de verschillende meningen van eerdere auteurs, maar komt dan niet altijd even overtuigend tot een eigen keuze. Ze focused vooral op de huidige tekst en theologie. Historische en sociologische kwesties komen – net als bij Schreiner –  beperkt aan bod, grammatica en flow of the argument worden goed besproken. Ze heeft oog voor de lijnen naar vandaag. Theologisch niet sterk. Op dat punt is Schreiner beter. Zijn werk is iets beknopter. De inleiding is mager. Het werk van Davids (NICNT, 1990) is van magere kwaliteit. Zo bezien kan je voor een evangelicaal perspectief misschien nog wel het beste bij het werk van Green terecht (THNTC, 2007). Dit is dan wel een klein commentaartje, maar het is een uitstekend werk. Naar opzet van de serie wordt in het eerste deel van het commentaar een korte exegese per perikoop gegeven, en worden in het tweede deel thematisch de theologische lijnen getrokken. Evenwichtig, doortastend en helder.

Michaels (WBC, 1988) is een gemiddeld historisch-kritisch werk. Donelson (NTL, 2010) is wel erg kort, waardoor onder andere de interactie met andere meningen / secundaire literatuur ontbreekt. Maar het leest vlot en het werk is van goed niveau, zoals veel delen in deze serie. Het commentaar van Selwyn (mono, 1946) is nog geregeld herdrukt, en blijft waardevol.

In de direct op de toepassing gerichte series IVPNTC (zeer eenvoudig) en NIVAC hebben resp. Marshall (1991) en Scot McNight (1996) goede bijdragen geleverd.

Op Duits taalgebied is Goppelt (KEK, 1978; Engelse vertaling: mono, 1993) een klassieker: eenvoudig, goed leesbaar, zelfstandig, historisch-kritisch en bovenal: theologisch erg goed. Rond dezelfde tijd verscheen een gelijksoortig werk door Brox (EKK, 1979): ook een goed historisch-kritisch werk van theologisch goed niveau. In NTD is de korte bijdrage (naar het format van de serie) van Schrage (1973) nog steeds de moeite waard. Ook goed is het werk van Schelkle (Herder, 1961). Compact en theologisch. Er is in recentere tijd weinig verschenen op Duits taalgebied. Te noemen is dan nog wel Feldmeier (ThHNT, 2005) en Vahrenhorst (ThKNT, 2015). Vahrenhorst is een compact, toegankelijk, helder geschreven werk, vanuit de historisch-kritische methode. Helaas nauwelijks in contact met de Engelstalige literatuur.